Bovendien wilde de Bond een extra zegel in de waarde van
7 cent (binnenlands briefkaarttarief) met een toeslag van
2 cent. Het Hoofdbestuur voelde daar niet voor vanwege het
curieuze argument dat het publiek, dat 10 cent (het inter-
lokale brieftarief) voor een zegel van 7 cent betaalde,
brieven te laag zou gaan frankeren.
De Bond stelde toen voor de 7 cent-zegel met een toeslag
van 1 dan wel 3 cent uit te geven en in het laatste werd
toegestemd. Bovendien vroeg de Bond om de vlaggen in de
stempelmachines te voorzien van de tekst "Kinderpostzegels
verkrijgbaar 15 Dec. 1924 tot en met 15 Jan. 1925.
De suggestie werd afgewezen maar het was wel de eerste
keer dat het woord "kinderpostzegels" voor de weldadigheids-
zegels werd gebruikt.
Ontwerp en vormgeving.
In het PTT museum bevindt zich een envelop met daarop een
ontwerp van een zekere H. Gerritsen voor een kinderzegel 1924.
Het commentaar van Minister G.J. van Swaay over dit ontwerp,
waarvan de status verder niet duidelijk is, laat niets te wensen
over.
Ontwerp geplakt op envelop met reactie van Minister van Swaay
Eind augustus 1924 stelde de Bond voor de 15 jarige Prinses
Juliana op de zegels af te beelden. Zegels met de prinses zouden
volgens de Bond, zeker veel verkocht worden. Op 9 september
vroeg de Minister van Waterstaat daarvoor toestemming aan
Koningin Wilhelmina, waarbij nog werd opgemerkt dat de
kunstenaar Georg Rueter het ontwerp zou vervaardigen. Een week
later bleek dat Koningin Wilhelmina zich echter met het voorstel
"niet wel kon vereenigen".