Op 20 juni 1924 vroeg de Minister van Waterstaat aan zijn collega van
Binnenlandse Zaken "ten einde de opbrengst van den verkoop zoo 
groot mogelijk te doen zijn" aan welke instellingen van de dat jaar
uit te geven weldadigheidszegels ten goede zou komen, zodat het
publiek bijtijds zou weten waarvoor de toeslag bestemd was.
Op 28 juli kwam het antwoord dat één speciaal doel moest worden
gekozen, namelijk de kinderbescherming.
De Nederlandsche Bond tot Kinderbescherming was kennelijk zeer
actief geweest in het Haagse politieke circuit. 
De Minister van Binnenlandse Zaken besloot het verzoek van de
Bond tot Kinderbescherming althans voor 1924 in te willigen
onder de voorwaarde dat de Bond zich met de propaganda zou
belasten. Hiermee was beslist dat de opbrengst van de jaarlijkse
weldadigheidszegels ten goede zou komen aan het kind, een begin 
van een nu reeds 80e jarige traditie.
Meer zegels, minder toeslag.
De toeslag van de twee Tooropzegels 
bedroeg 5 cent elk. De Bond tot Kinder-
bescherming had aangedrongen op een 
lagere toeslag, omdat men dacht dat het
publiek door een hoge toeslag zou wor-
den afgeschrikt de zegels te kopen. Het 
Hoofdbestuur der P&T had echter de in-
druk dat het grootste deel van de Toorop-
zegels in handen van de verzamelaars 
was gekomen en dat men er dus niet          Origineel ontwerp 
zeker van kon zijn of de hoogte van de toeslag eigenlijk wel een 
belangrijke factor geweest was. Desalniettemin had het Hoofd-
bestuur er geen bezwaar tegen de toeslag te verlagen tot 3 cent 
voor de zegel van 2 cent en 2½ cent voor de zegel van 10 cent. 
Men ging dus nog steeds uit van een serie van van twee zegels. 
De Bond tot Kinderbescherming vond de 3 cent toeslag op een
zegel van 2 cent nog steeds te veel en vroeg om een toeslag van 
2 cent, waartegen geen bezwaar bestond.