Jhr. G.G.L.O. van Kretschmar gin in 1984 nog eens uitgebreid op de kwestie
in. Hij concludeerde dat het schilderij van Dirck Craey niet Jan van Riebeeck
toont maar naar alle waarschijnlijkheid Bartholomeus Vermuyden. Deze was
in 1646 in Den Haag gehuwd met Catharina Kettingh en het paar liet zich
in 1650 door de Haagse schilder Craey vereeuwigen. Volgens van Kretschmar
is het zeer onwaarschijnlijk dat van Riebeeck, die geen familie-, zakelijke of
ambachtelijke banden met Den Haag had, zich in die plaats zou hebben
laten schilderen door een alleen in Den Haag bekende restauratie- en
docaratieschilder als Dirck Craey. Het portret door Coeman dateert uit
omstreeks 1663, wat beter aansluit bij de status van Van Riebeeck op dat
moment, toen hij deel uitmaakte van het VOC-establishment van Batavia.
De bewuste schilderijen nogmaals; links Jan van Riebeeck
volgens Coeman, rechts Bartholomeus Vermuyden van Craey.
Op 5 februari 1952 zond de hoofddirecteur van het Rijksmuseum, jhr. D.C.
Relll, aan esthetisch adviseur van PTT, Christiaan de Moor, een rapport
met zijn visie over de schilderijen van Craey en Coeman. Hij stelde dat het
schilderij van Craey het portret van Van Riebeeck weergaf.
Rein Draijer werd toen gedwongen om op het laatste moment zijn ontwerp
aan te passen. Inmiddels waren al naar het nu afgekeurde ontwerp kleuren-
proeven gemaakt en had ook de Philatelistische Dienst een zending folders
weggestuurd waarin de zegels waren afgebeeld naar het nog niet gecorri-
geerde ontwerp. Op 8 februari 1952, dus vijf weken voor de dag van uitgifte,
werden de kleuren definitief gekozen, waarbij de kleuren van de 6 en 10 cent
nog werden omgewisseld, zodat de 6 cent groen werd en de 10 cent rood.